Terugvoeren, feedback geven
In het onderwijs is het geven van feedback geen orde van de dag. Ook weer wel. Als docent krijgen we voortdurend commentaar en kritiek over ons functioneren van onze leerlingen, collega’s, ouders en schoolleiders. Toch zit daar over het algemeen weinig structuur in. Willen we dat niet? Hebben docenten daar geen behoefte aan of willen ze het liever niet horen. Je kunt er zo van groeien!
Het wordt steeds gebruikelijker dat docenten regelmatig worden beoordeeld of begeleid, o.a. door vakcollega’s. De ene school is daarin meer of minder vooruitstrevend en de ene docent meer of minder toegankelijk dan de ander.
Vakcollega’s zijn meestal geen coaches en weten niet altijd hoe ze na een lesbezoek hun bevindingen met hun collega’s moeten bespreken. Daar zijn een paar handige regels voor, de feedbackregels:
1-noem eerst de positieve punten die je zijn opgevallen, daarna de verbeterpunten
2-benoem vooral de punten waar de ander iets mee kan (die verbeterd kunnen worden)
3-blijf bij “ik zag dat je . . . “, “ik heb het idee dat . . . “ of “ik vond . . . “ i.p.v. “jij moet . . . “ of “jij kunt niet . . . “
4-beperk je tot feiten, zonder oordelen en interpretaties (wat zag je, wat dacht je?)
5-richt feedback op gedrag of prestaties en niet op de persoon, karakter, uiterlijke kenmerken

terug