Vanaf de eerste leerling die binnenkomt tot het moment dat jij de volle aandacht hebt.
Adviezen en tips die je kunt uitproberen om dit te bereiken:
– Zorg dat je bij de deur staat en ontvang je leerlingen
– Maak vriendelijk contact
– Straal enthousiasme uit (de professionele knop om, juist bij lastige klassen)
– Laat direct merken dat jij de gastheer en de regisseur bent
– Corrigeer ongewenst gedrag vriendelijk duidelijk
– Spreek leerlingen eventueel aan op hun gedrag van de vorige les
– Maak eventueel afspraken voor gewenst gedrag in deze les
Wanneer (bijna) iedereen binnen is kan de deur dicht
Leerlingen lopen naar hun plaats en pakken de juiste spullen
– Maak krachtige afspraken: eerst spullen op tafel, dan pas kletsen, niet andersom
– Geef tijd om te landen, socializen, bij te komen van de pauze of de vorige les
– Wanneer jij het tijd vindt om te beginnen: markeer dit moment helder:
o Ga voor de klas staan, goed zichtbaar voor iedereen
o Wees stevig in houding, mimiek, stem en gebaren
o Maak grote gebaren:
– Deur stevig dichtdoen
– In je handen klappen
– Vingers knippen
– Nadrukkelijk praten
– Wijzen
– Zwaaien
– Zorg dat je één doel voor ogen hebt: de volleaandacht van elkeleerling
– Maak oogcontact, zien en gezien worden
– Wees daarom éénduidig in je communicatie:
o Ik wil dat jullie stil zijn
o Ik wil jullie aandacht
o Jullie praten niet als ik praat
o Ik begin niet zolang jullie praten
o Iedereen heeft de juiste spullen voor zich
– Neem geen genoegen met minder
– Begin niet te vroeg, bijt zonodig je tong af
– Zorg dat je verbaal en non-verbaal hetzelfde uitstraalt
– Herinner eventueel nog aan je regels
– Maak een compliment als je helemaal tevreden bent
9 december 2012
door Nettie Kramer Reacties uitgeschakeld voor De 3 B’s van Alfred
Omdat ik regelmatig ook vóór de klas sta kom ik allerlei valkuilen tegen in het ‘primaire proces’, het échte lesgeven. En in een beoordelings- en begeleidingstraject horen ook lesbezoeken. Daarin krijg je feedback. Ik vind dat steeds weer spannend en hoop enerzijds op positieve reacties, maar anderzijds zit ik vooral te wachten op verbeterpunten. Wat is er mooier dan dát wat je goed doet, en waarin je graag kwaliteit levert, nog te verbeteren.
Zo kreeg ik feedback op een wiskundeles in klas 3 gymnasium / Atheneum op het achtste uur. Het is een erg gemotiveerde klas die hard werkt en graag presteert. Wanneer iedereen na een frontale start zelf aan het werk gaat komen de vragen. Ik ren me rot door de klas en een leerling zegt: ”Meneer, dit is wel topsport, goed voor uw conditie . . . “ Ik wil graag leerlingen helpen en struikelblokken slechten, dat helpt, het werkt en leerlingen lopen vrolijk en vriendelijk de deur uit, wat wil je nog meer. Maar je voelt het al, hoe gemakkelijk wordt het om een rennende leraar een vraag te stellen, makkelijker dan 1 bladzijde terug te bladeren.
De feedback die ik kreeg was dan ook terecht: ”Je werkt wel hard, het zweet stond op je voorhoofd.”Vervolgens hebben we de 3 B’s besproken: Boek, Buurman/-vrouw, Begeleider. Nu vond ik de term Begeleider wat vreemd. De eerstvolgende les heb ik dit met de klas besproken en heb er BBD van gemaakt D van Docent. Riep een leerling: “En Burgh dan?” Die vond ik mooi! Daarna heb ik het rijtje aangepast en uitgebreid.
Voortaan schrijf ik regelmatig op het bord:
Brein (wél die van jezelf!)
Boek + aantekeningen in je schrift
Beeldscherm (ik geef ook les aan klassen met elke leerling een laptop)
Buur
…
…
Burgh
Ik moet soms glimlachen als ik leerlingen hoor overleggen: “Nee, eerst even . . . voordat we het aan hem vragen . . .
Hoe laagdrempelig ik wil zijn, het is een keerzijde van gemakzucht.
Alfred van der Burgh
9 juli 2012
door Nettie Kramer Reacties uitgeschakeld voor Beeldcoaching en intervisie
Op scholen is het gelukkig geen zeldzaam fenomeen meer; intervisie. Samen met 5 tot 6 collega’s heb je de intentie om samen met en van elkaar te leren. De frequentie kan zijn 1 x in de vier of vijf weken. Het nieuwe van een leerwerkgemeenschap is niet alleen met elkaar praten bijvoorbeeld m.b.v. de incidentmethode maar m.b.v. beelden gemaakt in jouw eigen klassensituatie.Het gezamenlijke doel is het eigen vakmanschap te verbeteren ten gunste van het onderwijs.
Hoe werkt dit?
Iedere deelnemer brengt een persoonlijke leervraag in. Zo’n leervraag kan bijvoorbeeld te maken hebben met de ontwikkeling waarin de school zit, meer activerende werkvormen, hoe coach ik mijn leerlingen of hoe krijg ik meer tempo in mijn instructie.
Beeldcoaching geeft hierbij een goede structuur om te borgen dat je ook echt leert van elkaar en goed samenwerkt. Eigenlijk is dit een combinatie van begeleide intervisie en beeldcoaching. Het werken aan je leervraag verloopt volgens eenstappenplan waardoor de beschikbare kostbare tijd helemaal aan de inhoud kan worden besteed namelijk: eerst de leervraag benoemen en daarbij de videobeelden laten zien. Daarna denkt iedereen zelf na wat er aan de hand is, vervolgens de vragenronde om meer helderheid te krijgen en tenslotte het gesprek ter afronding met handelingsalternatieven. In die zin lijkt het op de incidentmethode maar de beelden erbij maken het levendiger en realistischer.
Gelijkwaardig leren
Er is een gelijkwaardige inbreng van alle deelnemers doordat iedereen een leervraag inbrengt. Het leren is ook sterk resultaat gericht; je leert door je persoonlijke leervragen in te brengen en daarnaast leren de deelnemers de leervraag van de ander eerst te onderzoeken voordat ze overgaan tot advies. Ook kun je door een microanalyse van de beelden, beter leren kijken en luisteren waardoor het leervermogen van de groep wordt vergroot. Het beeld is steeds het uitgangspunt voor de reflectie. Gedetailleerd kijken naar communicatie lukt alleen m.b.v. beelden. Hoe je kunt kijken wordt door de begeleider aangereikt door de uitgangspunten van SVIB te hanteren namelijk de basiscommunicatie. De begeleider laat ook zien hoe je activerende vragen stelt aan de inbrenger.
Scholare kan hierbij de rol spelen van filmer en/of begeleider.
8 juli 2012
door admin Reacties uitgeschakeld voor Interview met Rene Kneyber, Volkskrant 7 juli 2012
Nederlanders willen sterke leiders. Om de anderen, die zich misdragen in toom te houden. Zelf hebben ze juist moeite met gezag. Hoe daarmee om te gaan? René Kneyber schreef een boek over hoe hij als leraar overleefde . ‘Het was een bende.’
De bundel Gezagsdragers begint met de tekst van een liedje:
Het land wars van betutteling
Geen uniform is heilig
Een zoon die noemt z’n vader Piet
Een fiets staat nergens veilig
15 Miljoen mensen op dat hele kleinde stukje aarde
Die schrijf je niet de wetten voor Die laat je in hun waarde
Deze hit van Fluitsma & Van Tijn uit 1996 illustreert hoe veel Nederlanders na de jaren zestig over gezag dachten. We lappen het gezag aan onze laars en zijn er trots op. Helaas blijkt een samenleving niet zonder gezag te kunnen, op straat, in de klas en op tal van andere terreinen. Inmiddels wordt zelfs gesproken van een gezagscrisis. De term ‘keihard aanpakken’ ligt politici en burgers in de mond bestorven. De ‘gezagsparadox’ maakt de praktijk echter weerbarstig. Sinds het midden van de jaren negentig neemt de roep om sterke leiders toe, maar tegelijkertijd hebben burgers moeite om gezag te accepteren. In algemene zin zijn ze misschien voor ‘keihard aanpakken’, maar ze maken maken ze graag een uitzondering voor zichzelf of hun kinderen. In dat spanningsveld opereren professionals, zoals leraren, politieagenten, gezinsvoogden of leerplichtambtenaren.
Maar gezag is terug te winnen, zegt René Kneyber, docent wiskunde aan het Oosterlichtcollege in Nieuwegein, die de bundel samenstelde met filosoof Gabriël van den Brink en bestuurskundige Thijs Jansen. Niet door de botte bijl van zero tolerance, maar door te werken vanuit heldere principes en professionals goed op te leiden, waardoor ze voorbereid zijn op de confrontatie met assertieve burgers. Gezag uitoefenen kun je leren, zegt Kneyber. Zelf is hij daar een goed voorbeeld van. ‘Ik was 24 toen ik als leraar begon. Ik wilde de beste vriend van mijn leerlingen zijn. Het eerste jaar was het dan ook een bende in mijn klas. Mijn baas dacht: dat wordt niks met die jongen. Zelf had ik al snel door dat mijn aanpak niet werkte, maar dan kun je al niet meer terug. Je bent je gezag kwijt. Het eerste jaar heb ik uitgezeten en ondertussen verdiepte ik me in de technieken die ervaren collega’s toepasten. In het tweede jaar ben ik streng begonnen, een beetje te streng misschien. Maar het werkte wel: eerst de zaken duidelijk neerzetten. Daarna kun je wat ontspannen.’
Kneyber zette zijn ervaringen op papier. Tot zijn verbazing bleek er nauwelijks literatuur over orde houden te bestaan. Daarom maakte hij er een boek van, Orde houden in het vmbo, gevolgd door Orde houden in het voortgezet onderwijs. Ook richtte hij een bureau op, Handelingsbrutaal, dat trainingen en workshops geeft over orde houden. ‘Handelingsbrutaal is het tegenovergestelde van handelingsverlegen, een begrip dat je veel tegenkomt. Die verlegenheid zit een beetje in onze cultuur ingebakken. Je wordt niet geacht je met anderen te bemoeien. Iedereen moet zelf doen wat hij wil. Handen af. Daarom moet je over een drempel heen, als je moet optreden.’
Wat is gezag eigenlijk?
‘Macht dwingt mensen. Gezag zorgt ervoor dat mensen zichzelf vrijwillig beperkingen opleggen. Daarom heeft gezag legitimiteit nodig. Met gezag heb je een minimum aan protest en een maximum aan medewerking.’ Waarom hebben burgers zo veel moeite met gezag? ‘Gabriël van den Brink daar een goede verklaring voor, aan de hand van een theorie van Albert Hirschmann. Als je het ergens niet mee eens bent, heb je twee mogelijkheden: exit en voice. Je kunt weggaan of je stem verheffen. Op allerlei gebieden zijn de mogelijkheden voor een exit enorm toegenomen: mensen scheiden eerder, verhuizen eerder, wisselen vaker van baan. Burgers hebben steeds meer keuzevrijheid gekregen. Maar op sommige gebieden kun je niet weggaan. Je kunt niet voor een andere politie of sociale dienst kiezen. Je kunt wel voor een andere school kiezen, maar dat doe je niet zo snel. Op die terreinen zie je dat voice enorm is toegenomen. Mensen protesteren veel meer.’
Hoe moet je als gezagsdrager met assertieve burgers omgaan?
‘Ik geloof dat de politie de meeste ervaring heeft met een communicatieve manier van gezag. Tot de jaren zestig was het gezag van de politie vanzelfsprekend. Daarna werd de politie je beste vriend. Dat bleek niet te werken: de criminaliteit nam enorm toe. Zo werd de politie gedwongen een nieuwe manier van gezag te ontwikkelen: tegelijkertijd optreden en een relatie aangaan. Een politieman of -vrouw kondigt altijd aan dat hij of zij macht gaat uitoefenen: ik ga u nu controleren, ik ga u nu bekeuren, als u zich blijft verzetten, ga ik u nu arresteren, nu ga ik pepperspray gebruiken.’ Is dat geen erg optimistisch beeld van de politie? Veel burgers vinden dat de politie veel te weinig gezag uitstraalt. ‘In onze bundel staat een artikel van de filmer en filosoof Jurriën Rood, die onderzoek heeft gedaan bij de Amsterdamse politie. Voordat hij begon, verkeerde hij ook in de veronderstelling dat er nogal wat schortte aan het gezag van de politie. Maar hij is met beginnende agenten op pad gegaan. Ze komen net van de opleiding en hebben geen wapen. Toch accepteren al die anti-autoritaire Amsterdammers zonder morren dat ze een bekeuring krijgen. Omdat die agenten hebben geleerd hoe je in zulke situaties moet optreden. Daarmee houd je natuurlijk niet alles tegen. De ergste problemen worden veroorzaakt door mensen die drank of drugs hebben gebruikt, of aan psychiatrische problemen lijden.’
De politie gebruikt de methode-Van der Steen, eind jaren zeventig ontwikkeld door twee politiepsychologen. Uitgangspunt is dat de agent van tevoren beslist of hij gaat bekeuren, onafhankelijk van de reactie van de burger. De agent is voorbereid op dat weerwoord, omdat burgers vrijwel altijd volgens een vast stramien protesteren. Ze zoeken zoekt naar excuses (‘Mijn moeder ligt in het ziekenhuis’), levert kritiek op het beleid (‘Jullie willen alleen maar zo veel mogelijk bonnen uitschrijven’) of persoonlijke kritiek (‘Wie ben jij helemaal in je apenpakkie?’). Voor elke vorm van protest wordt een passende reactie aangeleerd.
In Gezagsdragers staan huiveringwekkende voorbeelden van burgers die het gezag van leraren of andere professionals ondermijnen. Zo krijgt een jongen een brief van school mee, waarin de school uitlegt waarom hij de les is uitgestuurd. Zijn vader leest de brief, scheurt hem aan snippers en zegt: ‘Breng dit maar naar school, knul’. De volgende dag gaat de jongen naar de docent, smijt de snippers op zijn bureau en zegt: ‘Hier heb je de brief terug. Mijn vader wil dit soort onzin niet meer.’ Van de beginnende leraren valt 50 procent binnen vijf jaar af. Bijna de helft van de leraren heeft de afgelopen drie jaar te maken gehad met verbaal geweld, zoals schelden of het toewensen van dodelijke ziektes. Eén op de tien docenten heeft ervaring met slaan of schoppen, of heeft een zwaar voorwerp naar zijn hoofd gekregen. Volgens onderzoek is wel sprake van een lichte daling van de agressie tegen werknemers met een publieke taak: in 2007 ervoer 66 procent agressie, in 2011 59 procent. Toch neemt de agressie op sommige plaatsen toe, bijvoorbeeld bij de sociale diensten.
Gezagsdragers is echter geen pessimistisch boek. De professional staat niet machteloos ten opzichte van steeds lastiger en mondiger burgers. Gezag kan worden herwonnen, gelooft Kneyber. Niet door blind een ‘keiharde aanpak’ te kiezen. Zelf schrijft hij over de nadelen van zero tolerance. Die methode is geschikt voor kleine vergrijpen waarop relatief milde sancties staan – tas vergeten, petje op in de klas. Bij ernstiger zaken, zoals een schorsing of verwijdering van school, is het echter niet effectief om de regels blind en consequent toe te passen. Het leidt tot straffen die als buitenproportioneel worden ervaren. Een extreem voorbeeld uit Amerika: een jongen wordt van school gestuurd omdat zijn moeder hem een mes heeft meegegeven om zijn appel te schillen. De jongen meldt het zelf bij de directeur. Die is echter onverbiddelijk. Wapenbezit is streng verboden. Regels zijn regels. Zo wordt echter de legitimiteit van het gezag ondermijnd.
Gezag kan op een subtielere manier worden herwonnen, zegt Kneyber. Elke vorm van gezag begint met een helder verhaal. Maar op veel plaatsen wordt gezag op besmuikte wijze uitgeoefend. De Belastingdienst wil het ons gemakkelijk maken, sociale diensten spreken over ‘klanten’, terwijl zij toch geacht worden zo veel mogelijk mensen aan het werk te helpen, desnoods met straf en dwang. ‘Het begint ermee dat je als professional een verhaal hebt. Waarom doe je dit werk? Op veel plaatsen zie je mensen twijfelen: ben ik hulpverlener of heb ik een normatieve taak? Dat zie je mooi in de documentaire ‘Sta me bij’ over de sociale dienst in Deventer. Een van de ‘klantmanagers’ zegt: “Tja, wat heeft het voor zin om op mijn strepen te gaan staan en onwillige werklozen naar een werkgever te sturen?” Zijn vrouwelijke collega zegt: “Ik moet ervoor zorgen dat mensen niet eeuwig in de bijstand blijven hangen.” Uiteindelijk is die vrouw veel effectiever. Haar mannelijke collega wordt belazerd door de mensen waarvoor hij dingen regelt.
‘Je gedrag moet gestuurd worden door principes. In ons boek komt ook een probleemgezin voor, waar twee gezinsvoogden rondlopen. De moeder heeft een schuld van 600 euro bij de energiemaatschappij. Er is ook een kleintje met longproblemen die een elektrisch pufje nodig heeft. De hulpverleners zeggen niet: het betalen van die rekening heeft prioriteit. Ze zeggen: nee, wij zijn er voor de kinderen, niet voor de financiën. Toen werd de energie afgesloten en de kinderen werden ondergebracht bij een vriendin die er geen bedjes voor had. Dat vond jeugdzorg onaanvaardbaar, waarop de kinderen uit huis zijn geplaatst. In de jeugdzorg worden mensen beheerst door angst. Hun handelen wordt niet gestuurd door principes, maar door protocollen die worden afgevinkt.
Met principes win je nog geen gezag.
‘Nee, het is ook belangrijk dat instellingen duidelijke regels hebben. Op sommige scholen stuurt de ene leraar je naar huis, als je je tas bent vergeten, terwijl de andere een boek voor je regelt. Zo creëer je steeds weer ruimte voor onderhandelingen. ‘Scholen zouden veel beter moeten nadenken over hoe ze met wangedrag omgaan. Neem die leraar in Zeist die een jongen slaat tijdens een schoolreisje. Die man stond met de rug tegen de muur. Hij wilde dat die jongen iets opraapte en die jongen weigerde. Het was buigen of barsten. Er zouden heldere sancties moeten zijn: als je niet doet wat een begeleider zegt, mag je nooit meer mee op schoolreisje. Of je mag de komende drie keer niet mee. Dan krijg je ook geen paniekvoetbal. Scholen laten zich vaak overvallen door dit soort dingen. Daarom weten ze niet zo goed wat ze ermee aan moeten.’ Ze zouden onderhand toch beter moeten weten.
‘Op veel plaatsen is gezag geen onderwerp van gesprek. Dat heeft ons wel verbaasd.’ Kun je het uitoefenen van gezag leren? Of is het een talent: je hebt het of je hebt het niet? ‘Sommige mensen hebben van nature groot gezag. Als we genoeg van zulke mensen zouden hebben, zou er geen probleem zijn. Maar dat is niet zo. De meeste mensen kunnen het leren. Ik ben daar zelf een goed voorbeeld van. Alleen is er vaak te weinig aandacht voor. Maar er zijn zo veel situaties die je kunt oefenen.
Het wisselmoment bijvoorbeeld. Het is bekend dat wanorde vaak ontstaat als een klas van activiteit wisselt. Daar kun je op voorbereid zijn, maar het is wel noodzakelijk dat je de leiding neemt: ik wil dat jullie dat en dat gaan doen. Maar mensen hebben moeite met dat normatieve. Dat merk je bij heel veel professionals, ook bij leerplichtambtenaren. Die zijn geneigd zich als hulpverlener op te stellen. Dan wordt er veel gepraat met zo’n gezin. Op zichzelf is er niets tegen praten – er zijn vaak grote problemen – als je maar niet vergeet dat je leerplichtambtenaar bent: om ervoor te zorgen dat een kind naar school gaat.’
WAAROM DOE JE DIT WERK?
1 Vind de juiste balans tussen controle, relatie en expertise. Wie op één van deze drie punten tekort schiet, heeft problemen. Een expert die een hork is, zal moeite hebben om gezag te verwerven.
2 Geef zelf het goede voorbeeld. Een leraar die wil dat zijn leerlingen hun werk op tijd inleveren, moet ook zelf op tijd nakijken.
3 Laat je handelen sturen door principes. Waarom doe je dit werk? Welke prioriteiten volgen daaruit?
4 Durf met overtuiging grenzen aan te geven. Wees niet bang voor het normatieve. Gebruik geen eufemismen. Zeg niet: sorry, dit zijn de regels, maar: zo doen we dit hier.
5 Sluit nooit mensen uit. Je kunt geen gezag uitoefenen als je geen relatie met mensen hebt. Als je iemand uitsluit, zal hij zich niets van je aantrekken.
Gezagsdragers, samengesteld door Gabriël van den Brink, Thijs Jansen en René Kneyber.
Uitgeverij Boom. Euro 24,50.
7 juli 2012
door Nettie Kramer Reacties uitgeschakeld voor Boekentips en @staarten
Zoals u van ons gewend bent een aantal leestips voor de vakantie
–De Rest Van Je Leven – Carine Vos (www.richtingswijzeradvies.nl ) Hulp voor het besluit om een vervolgopleiding te kiezen van studieadviseur Carine Vos omdat het ‘inzicht in later ontbreekt’ bij pubers.
–Brein Meester – John Medina. Moleculair bioloog John Medina beschrijft met humor hoe we dankzij inzichten uit hersenonderzoek beter kunnen onthouden, werken, leren en opvoeden. In elk hoofdstuk beschrijft hij een breinregel – dingen die wetenschappers zeker weten over de werking van onze hersenen – en geeft hij adviezen voor veranderingen in ons dagelijks leven.
– Leukere Lessen: voor leerkrachten en trainers – Bernard Lernout en Inge Provost –. Verschenen bij Uitgeverij de Boeck.
– SOS Brein – Bernard Lernout en Inge Provost –: voor al wie korter, beter en leuker wil studeren, met tips voor ouders om hun kinderen daarbij te helpen. Verschenen bij Standaard Uitgeverij.
–Leer als een Speer– Jan-Willem van den Brandhof. Dit boek geeft een overzicht van snelleertechnieken die het mogelijk maken om betere resultaten te behalen en toch minder tijd aan schoolwerk te spenderen.
– Onverklaarbaar bewoond – Bert Keizer ‘Een beschadig brein is een beschadigde ziel, gefascineerd door dit gegeven volgt arts en filosoof Bert Keizer enkele maanden een aantal hersenchirurgen en hun patiënten van zeer nabij.’
–Over de top; haal het allerbeste uit jongeren – Huub Nelis & Yvonne van Sark
Een bekende uitspraak luidt: “Er is niets zo praktisch als een goeie theorie.”Een goede theorie verschaft je inzicht en biedt je een handvat waardoor je op een andere manier naar je eigen situatie kunt kijken.
Een mooi voorbeeld hiervan is de Roos van Leary, een oude bekende, één van de vele modellen voor de interactie (de relatiewens) tussen mensen en erg toepasbaar in het onderwijs. Een belangrijk psychologisch basisprincipe hierbij is: gedrag lokt gedrag uit. De ‘roos’ wordt verdeeld in Boven en Ondergedrag (verticaal) en Tegen en Samengedrag (horizontaal). Oftewel: leiden zal volgen uitlokken, aanvallen lokt verdedigen uit en omgekeerd. Samengedrag zal samengedrag uitlokken.
Als docent ben je vaak gewend om op een bepaalde manier te reageren op gedrag in de klas. Je eigen natuurlijke of aangeleerde manier. Het kan zijn dat dit gedrag niet het gewenste effect oplevert. Dan is het goed om met dit model aan de slag te gaan. De kunst is om het initiatief om te draaien; jij kiest je eigen gedrag en de lastige persoon of groep zal volgen (volgens de theorie van Leary).
Meer hierover weten? Mail naar nettiekramer@scholare.nl voor een kleine reader over deze theorie en toepassingen voor intervisie m.b.v. de roos van Leary
Een leuk bericht in het Dagblad van het Noorden van deze week: Christel Medema en Jan Willem Schonewille (docenten lichamelijke opvoeding op mijn oude school, CS Vincent van Gogh in Assen) kregen een landelijke stimuleringsprijs ict met een vernieuwend concept. M.b.v. een flipcam, laptop en beamer maken ze opnamen die leerlingen daarna meteen kunnen zien. “Leerlingen leren naar zichzelf te kijken, zien wat ze goed en slecht doen. Zonder deze hulpmiddelen moet je meer uitleggen om dezelfde resultaten te bereiken. Het maakt de les levendiger en leerlingen leren kritischer naar hun eigen verrichtingen te kijken en commentaar geven op elkaar.” Nieuwsgierig geworden? Kijk op hun website: www.bewegingsonderwijsinbeeld.webnode.nl
Co-teaching
Een nieuwe variant op coaching; co-teaching. Samen met je coach stel je een concrete hulpvraag, stel je een helder doel vast en ga je samen aan de slag met de voorbereiding van je les. Vervolgens ga je ook samen die les geven! Daardoor leer je van elkaar, simpelweg door te zien hoe de ander het doet. De gedeelde ervaring zorgt weer voor een gevoel van bevestiging en groei je als leerkracht.
Meer informatie: Co-teaching, krachtig gereedschap bij de begeleiding van leraren, Sandra Koot, www.educote.nl
Een wijde blik verruimt het denken. Word jij ook een werelddocent?
Al jaren in het onderwijs? Toe aan een uitdaging? Wat dacht je van twee weken de kans krijgen om in een ander land zoals Kenia, India, Malawi of Oeganda collega’s te ontmoeten, uit te wisselen, en wederzijds te leren? Nieuw is dat nu ook schoolleiders aan de slag kunnen voor een trainingsprogramma met hun collega’s uit Oeganda en Ethiopië.
Ook is het aanbod uitgebreid met werelddocent XL; minimaal 3 maanden bij een van de lokale projecten verblijven en aan de slag met de onderwijsproblematiek aldaar. Vooral voor de meest achtergestelde scholen blijkt de impact van deelname enorm. Grijp je kans! Meld je aan bij www.edukans.nl/werelddocent
Social media, ook bij calamiteiten
Het is helemaal hot op dit moment; elk zichzelf respecterende organisatie, vereniging of school, ‘doet’ aan social media of denkt hierover. Facebook, Twitter, LinkedIn; als school moet je hier ook wat mee. De toepassingsmogelijkheden groot, voor elk vakgebied. Als je even de tijd neemt om op bijvoorbeeld Twitter, contacten in jouw belevings- en vakwereld te vinden, heb je opeens een schat aan informatie tot je beschikking. Zie voor tips voor het gebruik van twitter in de klas ons website: www.scholare.nl op de homepagina onderaan.
Media kan lastig worden als er iets gebeurt en uitgroeit tot een mediahype. Denk bijvoorbeeld aan de Nieuwegeinse adjunct-directeur die laatst in de cel werd gezet vanwege te hardhandig verwijderen van een leerling uit de klas. Hoe deal je dan met de media? Interessant is dat PPSI (Project Preventie Seksuele Intimidatie) een informatieblad heeft uitgegeven voor scholen: ‘De pers, vriend of vijand van de school?’ met handreikingen voor het omgaan met de media, zodra zich een groot of klein incident voordoet op school. Gratis aan te vragen bij: 030-2856762 of via ppsi@aps.nl
Scholare wenst u een goede, rustige, ontspannende kerstvakantie toe!
Alfred van de Burg
Nettie Kramer, @nettiescholare (twitter)
Anita Naus
11 februari 2008
door admin Reacties uitgeschakeld voor Feedbackscan Docenten
Vraagt u zich wel eens af hoe u overkomt op leerlingen? Daar was een gemakkelijke methode voor, de feedbackscan. Deze dateert uit 2008 en als instrument nog steeds actueel. De Onderwijs Innovatie Groep (OIG) heeft enkele instrumenten overgenomen waaronder deze scan (in iets beperktere vorm). Onder deze link vind u meer informatie.
Deze vragenlijst brengt kwaliteiten van de leraar in beeld zoals die door leerlingen wordt ervaren. Met deze scan kunnen leraren het effect van hun handelen als leraar testen, 95 vragen verdeeld over 21 schalen.
Bijv. de leraar is betrouwbaar, duidelijk, een persoonlijkheid, heeft persoonlijke aandacht voor leerlingen, is aardig, vriendelijk, ontspannen en goed gehumeurd.
Het is de bedoeling dat een docent de leerlingen uitnodigt om deze scan in te vullen, bijv. tijdens een mentoruur in de mediatheek. Het invullen kost maximaal 20 min. De leerlingen krijgen de items willekeurig voorgeschoteld, dus per leerling verschillend en zonder schaalaanduiding.
De leraar krijgt gerapporteerd per schaal.
De gegevens van leerlingen worden anoniem en als gemiddelden aan de leraar gerapporteerd. Ze zijn dus niet herleidbaar tot individuele leerlingen.
Met deze gegevens kan de docent zichzelf ontwikkelen, het POP-gesprek ingaan, etc.
Zie ook het praktijkblad voor het voortgezet onderwijs ‘12-18’ www.van12tot18.nl . Ga naar nr.2 februari 2007- Professionalisering themanummer
11 februari 2008
door admin Reacties uitgeschakeld voor Kwaliteit, valkuil en uitdaging
Verbazend hoe eenvoudig het soms is om met behulp van de Kernkwadranten van Daniel Ofman op een andere manier naar jezelf of naar een ander te kijken.
Een Kernkwadrant bestaat uit Kwaliteit, Valkuil, Uitdaging en Allergie, maar vaak is het al voldoende om te kijken naar een kwaliteit met als ‘te veel van het goede’: een valkuil en de uitdaging als een beheersing daarvan.
Geduld bijvoorbeeld, op zich een goede en prettige eigenschap van een docent, kan zomaar doorschieten in te laat optreden wanneer grenzen worden overschreden (valkuil). De uitdaging zou dan kunnen zijn om het geduld vast te houden en daarnaast alert te blijven op de eigen grenzen en deze te bewaken.
Zo kan duidelijkheid (kwaliteit) voor de klas ‘ontaarden’ in een vijandige houding tegenover leerlingen. De uitdaging zou hier kunnen zijn om op een vriendelijke manier duidelijk te zijn.
Ook in een relatie met een leerling of een collega kan het zinvol zijn om te onderzoeken welke kwaliteit er wellicht achter dat gedrag schuilgaat waar je je zo aan ergert. Wanneer je bemoeizucht (allergie, valkuil) kunt zien als doorgeschoten betrokkenheid (kwaliteit) ziet de relatie er vaak al heel anders uit. Zeker wanneer je de ander op een constructieve manier terug kunt geven dat je last hebt van dit gedrag.
In coaching een bruikbare techniek om door een andere bril op en positievere manier naar hetzelfde gedrag te kijken.
11 februari 2008
door admin Reacties uitgeschakeld voor De Roos van Leary
Een bekende uitspraak luidt: “Er is niets zo praktisch als een goeie theorie.”
Een goede theorie verschaft je inzicht en biedt je een handvat waardoor je op een andere manier naar je eigen situatie kunt kijken.
Een mooi voorbeeld hiervan is de Roos van Leary, een oude bekende, één van de vele modellen voor de interactie (de relatiewens) tussen mensen en erg toepasbaar in het onderwijs. Een belangrijk psychologisch basisprincipe hierbij is: gedrag lokt gedrag uit.
De ‘roos’ wordt verdeeld in Boven en Ondergedrag (verticaal) en Tegen en Samengedrag (horizontaal). Oftewel: leiden zal volgen uitlokken, aanvallen lokt verdedigen uit en omgekeerd. Samengedrag zal samengedrag uitlokken.
Als docent ben je vaak gewend om op een bepaalde manier te reageren op gedrag in de klas. Je eigen natuurlijke of aangeleerde manier. Het kan zijn dat dit gedrag niet het gewenste effect oplevert. Dan is het goed om met dit model aan de slag te gaan.
De kunst is om het initiatief om te draaien; jij kiest je eigen gedrag en de lastige persoon of groep zal volgen (volgens de theorie van Leary).
Meer weten? Mail naar nettiekramer@scholare.nlvoor een reader over deze theorie en toepassingen voor intervisie m.b.v. de roos van Leary